23 augustus 2008

Allan Bloom over scheiding

De recente veroordeling van een moeder van twee kinderen tot een jaar effectieve gevangenisstraf, omdat ze het bezoekrecht van de vader al vier jaar lang tegenwerkte, heeft op het lezersforum van De Standaard een opmerkelijk openlijk en vinnig debat uitgelokt.

De discussie deed me terugdenken aan de Amerikaanse filosoof Allan Bloom, die in "Closing of the American Mind" (Simon and Schuster, New York, 1987) een opmerkelijk standpunt inneemt met betrekking tot scheiding: het standpunt van de kinderen.

Bloom ziet de kinderen als de grootste slachtoffers van de scheiding van hun ouders. De lezer weze gewaarschuwd: Blooms kritiek is niet mals. Kinderen uit gebroken huwelijken hebben minder levenslust, aldus Bloom. Ze zijn minder dan andere kinderen in staat tot vriendschap, ze kennen meer angst om de risico's van het leven aan te durven, ze hebben minder vertrouwen in de toekomst. Volgens Bloom is hun geest misvormd ("a slight deformity of the spirit"). Ook therapeuten ontsnappen niet aan Blooms voorhamer: "Psychologen voeden een groot deel van de ideologie die scheiding goedpraat".

Of je het ermee eens bent of niet, Bloom heeft de verdienste dat hij ons aanzet om de belangen van het kind bij een scheiding ook eens op een fundamenteler niveau dan "een goed georganiseerd bezoekrecht" te benaderen.

Naar mijn weten is Closing of the American Mind niet in het Nederlands vertaald. Hier volgt mijn eigen (gedeeltelijke) vertaling van wat Bloom onder de titel "Divorce" schreef (p. 118-121):

"In Amerika is scheiding is de meest tastbare aanwijzing dat de individuele wil zich telkens weer affirmeert, ook al willen mensen graag (en ook al voelen ze daar de behoefte toe) één gemeenschappelijke wil creëren uit de individuele wil van twee mensen. Er is een zoektocht gaande, een steeds hopelozer wordende zoektocht, naar allerlei regelingen en manieren om, na een scheiding, de gebroken stukken opnieuw samen te brengen. Deze opgave is even onmogelijk als de kwadratuur van de cirkel, omdat we allemaal het meest van onszelf houden maar toch willen dat anderen meer van ons houden dan dat we van onszelf houden. Heel in het bijzonder is dit de verwachting van kinderen, een verwachting waartegen ouders nu rebelleren. Als een gemeenschappelijk goed of een gemeenschappelijk doel ontbreekt is het uit elkaar vallen van de samenleving in individuele "willetjes", zoals Rousseau het uitdrukt, onvermijdelijk. Egoïsme is in dit geval geen moreel tekort, geen zonde, maar een natuurlijke behoefte. De "ik-generatie" en "narcisme" zijn gewoon beschrijvingen, geen oorzaken. De eenzame wilde in de natuurlijke toestand kan men niet verwijten dat hij alleen aan zichzelf denkt, net zomin als een persoon die in een wereld leeft waarin het eigenbelang primeert, een wereld dus waarin het originele egoïsme van de natuurlijke toestand blijft bestaan, waarin de inzet voor het gemeenschappelijk goed hypocriet is en waarin de moraal ronduit aan de zijde van het egoïsme lijkt te staan.

Of, om het anders uit te drukken, het streven naar zelf-ontwikkeling, zelf-expressie, of groei, dat opbloeide als resultaat van het optimistische geloof in een harmonie tussen dat streven en de samenleving of gemeenschap, dat streven is intussen ontmaskerd als een vijand van de gemeenschap. De beperkte of voorwaardelijke gehechtheid van een jongere aan zijn gescheiden ouders is niets anders dan de weerspiegeling van wat deze jongere zelf noodzakelijkerwijs ziet als hun voorwaardelijke gehechtheid tegenover hem. Dit is totaal verschillend van hetzelfde probleem in vroegere tijden. In het verleden was zo’n uit elkaar gaan soms nodig maar altijd moreel problematisch. Vandaag is het normaal.

(...)

Van kinderen die op deze school van "relaties onder voorbehoud" gezeten hebben kunnen we verwachten dat ze de wereld zien in het licht van wat ze daar leerden. We mogen kinderen nog duizendmaal vertellen dat hun ouders een recht hebben op een eigen leven, dat ze (na de scheiding) van “meer quality time” zullen genieten in plaats van “quantity time”, dat hun ouders echt van ze houden, ook al gaan ze uit elkaar. Kinderen geloven daarvan niets. Zij denken dat ze een recht hebben op totale aandacht en geloven dat hun ouders voor hen moeten leven. Er is geen mogelijkheid om ze tot andere gedachten te brengen, en alles wat deze verwachtingen tekortdoet leidt tot verontwaardiging en een onuitroeibaar gevoel van onrechtvaardigheid. Voor kinderen schijnt de vrijwillige scheiding van hun ouders erger dan hun dood, precies omdát ze vrijwillig is.

Kinderen van gescheiden ouders leren angst hebben voor onderwerping aan de wil van anderen. Tegelijk groeit in hen de behoefte om die wil te domineren in de context van het gezin (de enige plaats waar ze verondersteld worden het omgekeerde te leren). Natuurlijk zijn veel gezinnen ongelukkig. Maar dat is irrelevant. De belangrijke les die het gezin leerde was het bestaan van de enige onbreekbare band, in goede en in kwade dagen, tussen menselijke wezens.

In mijn jarenlange onderwijservaring met jongeren heb ik een soort handicap leren ontwaren, een lichte misvorming van de geest bij die studenten (ze worden steeds talrijker) van wie de ouders gescheiden zijn. Ik heb niet de minste twijfel dat deze jongeren in allerlei gespecialiseerde onderwerpen even goed presteren als anderen, maar ik heb wel gemerkt dat ze minder open staan voor een serieuze studie van filosofie en literatuur dan heel wat andere studenten. Ik denk dat dit is omdat ze minder zin hebben om naar de zin van hun leven te zoeken, of bang zijn om in hun overtuiging door elkaar geschud te worden. Om met de chaos van hun vroegere ervaring te kunnen leven, neigen ze naar een verstarde visie op wat goed of slecht is en op het leven dat ze moeten leiden. Ze lopen over van wanhopige platitudes over zelfbeschikking, respect voor de rechten en de beslissingen van anderen, de behoefte om de eigen individuele waarden en engagementen uit te werken, enz. Dit alles is slechts een dun laagje vernis over kolkende zeeën van woede, twijfel en angst.

Jonge mensen zijn gewoonlijk in staat om hun gewoonten of hun overtuigingen overboord te gooien voor een nieuw en opwindend idee. Ze hebben weinig te verliezen. In deze tijd van hun leven kunnen ze experimenteren met het onconventionele, kunnen ze hun kijk op het leven verdiepen en tegelijk nog iets leren ook. Maar kinderen van gescheiden ouders missen vaak dit intellectuele lef omdat ze het normale jeugdige vertrouwen in de toekomst missen. Angst voor zowel isolatie als binding hangt als een onweerswolk boven hun toekomstverwachtingen. Een groot deel van hun enthousiasme is uitgedoofd en vervangen door zelfbescherming. Daardoor zijn ze ook minder in staat tot ware vriendschap. Aan de universiteit kunnen zulke studenten hun verwarring tot het thema van hun reflectie en hun studie maken. Maar het is een grimmige en gevaarlijke onderneming, en meer dan andere studenten die ik gekend heb, wekken ze meelij op. Ze zijn inderdaad slachtoffers.

Een andere factor die de geestestoestand van deze studenten helpt verklaren, is dat ze therapie gevolgd hebben. Ze hebben van psychologen te horen gekregen hoe ze zich moeten voelen en wat ze over zichzelf moeten denken. Deze psychologen werden betaald door hun ouders opdat alles zo pijnloos mogelijk zou verlopen voor de ouders, als onderdeel van de scheiding-zonder-schuld. Als er ooit een belangenconflict bestaan heeft, is het dit wel. Scheidingstherapeuten kunnen veel geld verdienen, aangezien de scheidenden zo snel mogelijk willen terugkeren naar hun vervolging van de rokende medemens of naar hun strijd tegen wapens of voor de redding van de “beschaving zoals we ze kennen”. Psychologen voeden intussen een groot deel van de ideologie die scheiding goedpraat – bvb. dat het voor kinderen erger is om in een gestresseerd gezin op te groeien (waarmee ze de ouders motiveren om het thuis zo onaangenaam mogelijk te maken). Psychologen zijn de gezworen vijanden van schuldgevoelens. En ze hebben een kunstmatige taal voor de kunstmatige gevoelens die ze kinderen inlepelen. Maar jammer genoeg geven ze de kinderen hiermee niet de mogelijkheid om een stevige greep op wat dan ook te krijgen.

Wanneer deze studenten op de universiteit komen, zijn ze niet alleen duizelig van de destructieve gevolgen van hun verloren vertrouwen en de dubbelzinnigheid van loyaliteit (als resultaat van de scheiding), maar ook is hun gehoor gestoord door de vele leugens uit eigenbelang en de in pseudowetenschappelijk jargon verpakte hypocrysie. Zulke jongeren hebben een beschadigd vertrouwen in wat ze voelen of wat ze zien."

Geen opmerkingen: