27 april 2007

Arme democratie?

Waarde heer Vandermeersch, In Steven Samyns bijdrage “Arme democratie” (DS, gisteren) ontbreekt volgens mij een cruciaal element, namelijk een aanzet om de (terecht!) aangekaarte problemen ook op te lossen. Wat baat het om steeds opnieuw de zwakten van onze “parlementaire democratie” (lees: partijenoligarchie) aan te kaarten, als we niet meteen ook constructief nadenken over mogelijke oplossingen? Wanneer, mijnheer Vandermeersch, opent De Standaard eindelijk het debat over dé kernvragen van de hedendaagse parlementaire democratie: Hoe democratisch is een partijenoligarchie? Welk aandeel van het wetgevend werk mag in de lobby van de democratietempel plaatsgrijpen? Welke rol moet de wetgevende macht in een moderne democratie vervullen? Welke mogelijkheden moet de burger krijgen om wetten aan te vechten of in te voeren, om de politici te controleren? Hoe democratisch zijn de Europese instellingen in het licht van de gevonden antwoorden? Met dat boeiende debat zou uw krant alvast de eerste stap naar een “rijkere democratie” kunnen zetten... Met vriendelijke groet, Geert Van Hout (Berlijn) De oorspronkelijke bijdrage van Steven Samyn (DS 27 april 2007):
Arme democratie WAAROM HET PARLEMENT NIET NAAR BEHOREN FUNCTIONEERT Het was een triest schouwspel donderdag in de Kamer. Het laatste vragenuurtje van deze regeerperiode kon niet beginnen. Reden: de federale regering was niet aanwezig. Van de 15 ministers en 6 staatssecretarissen was geen enkele excellentie op tijd in het parlement geraakt. Pijnlijker kon de onmacht van het parlement moeilijk geïllustreerd worden. Het vragenuurtje is nochtans het wekelijkse mediatieke hoogtepunt in de Kamer. Op zijn afscheidslunch benadrukte voorzitter Herman De Croo (Open VLD) vorige week terecht dat er de voorbije jaren veel geïnvesteerd is om de uitstraling van zijn assemblee te vergroten. Hij heeft kosten noch moeite gespaard om het uitzicht en het aanzien van het parlement op te krikken. Een kwart miljoen bezoekers kwamen er over de vloer, net zoals tientallen hoogwaardigheidsbekleders. Jammer genoeg heeft ook De Croo niet kunnen verhinderen dat het allemaal wat rommelen in de marge bleef. Bij de bevolking hebben kamerleden misschien nog een zeker prestige, maar in de realiteit zijn ze vaak niet meer dan veredelde stemmachines. Dat wordt nooit duidelijker dan op het einde van een regeerperiode. Op dat moment ledigt de regering nog snel al haar schuiven en probeert ze teksten die om de een of andere reden niet door het parlement zijn geraakt alsnog goed te laten keuren. Twee weken geleden moesten de kamerleden vervroegd uit vakantie terugkeren. Niet om zich inhoudelijk te buigen over nieuwe ontwerpen, maar om de ellenlange programmawetten en andere teksten braafjes goed te keuren. Van een marathonzitting die 18 uur duurde, bleef eigenlijk alleen een nachtelijke aankondiging van De Croo hangen. Om 3 uur had hij laten weten dat zijn diensten croissants in de oven hadden geschoven. Het eindresultaat bleef uiteindelijk hetzelfde: de volksvertegenwoordigers mochten een rondje knikken en slikken. Er was de voorbije weken duidelijk een gebrek aan tijd om degelijk inhoudelijk werk te leveren. Het resultaat is dat een aantal ontwerpen werd goedgekeurd die van een schabouwelijke kwaliteit zijn. Dinsdagavond moesten de kamerleden opnieuw stemmen over een stapel wetsontwerpen. Deze keer werd er niet geknikt en geslikt. Het was niet van niet willen, het was van niet kunnen. Er waren immers niet genoeg parlementsleden opgedaagd om de teksten goed te keuren. Liberalen en socialisten zijn samen goed voor 98 kamerzitjes, dat is bijna tweederde van het aantal kamerleden. Om een meerderheid te leveren, moeten er dus 76 opdagen. Jammer genoeg bleken er niet meer dan 73 op het appel te zijn verschenen. Toen De Croo na een schorsing van 15 minuten opnieuw de koppen telde, bleken er... nog maar 72 aanwezigen in het halfrond te zijn. Was het een vorm van stil protest? Wilden enkele parlementsleden een middelvinger opsteken naar de regering? De realiteit was iets minder prozaïsch. Onder meer in Gent werd een gemeenteraad georganiseerd. En een (cumulerend) politicus moet nu eenmaal zijn prioriteiten kennen. Veel maakte het in elk geval niet uit. De wetsontwerpen werden dan maar woensdagnamiddag goedgekeurd. Wie dacht dat de wetgevende macht hier een dieptepunt had bereikt, vergist zich schromelijk. Want dankzij ons tweekamerstelsel mogen heel wat teksten na een passage in de Kamer naar de Senaat. Studenten grondwettelijk recht leren dat de Senaat sinds 1993 de rol vervult van reflectiekamer. De Hoge Vergadering is de plaats waar de dames en heren senatoren zich buigen over de grote vraagstukken en de kwaliteit van de wetgeving in het oog moeten houden. Tot zover de theorie. De praktijk ziet er dezer dagen een heel stuk anders uit. Een deel van de teksten die woensdag om 15 uur groen licht kregen van de Kamer, werden donderdagavond om 20 uur door de Senaat goedgekeurd. In onze democratie is 30 uur blijkbaar ruim voldoende om te reflecteren over 41 wetsontwerpen. Stuk voor stuk werden ze ongewijzigd goedgekeurd. On the record valt er in meerderheidskringen weinig kritiek te horen. Parlementsleden worden in ons partijpolitieke bestel niet geacht veel kritiek te uiten, toch niet op de eigen partij. Off the record wordt toegegeven dat ze ook de voorbije vier jaar niet veel meer gedaan hebben dan sleutelen aan wat punten en komma's. Het is niet eens meer dat het parlement wikt en de regering beschikt. Het parlement wordt in de werking van onze democratie gewoon weggeblazen door de regering. Over enkele weken is het weer zover en mag het volk zijn vertegenwoordigers aanduiden. Verkiezingen zouden een hoogdag voor de democratie moeten zijn. In realiteit tellen op 10 juni alleen de cijfertjes. Niet wie verkozen is, zal tellen. Wel hoeveel verkozenen elke partij heeft. Dan kunnen de echte machthebbers op de partijhoofdkwartieren aan de slag. Na een paar weken of maanden zullen zij een nieuwe meerderheid hebben gesmeed. De hele regeerperiode door zullen de parlementsleden van die meerderheid vervolgens de regeringsbeslissingen mogen goedkeuren. Hebben de parlementsleden dan helemaal geen macht? Toch wel. Een aantal zal in stilte hard werken aan thema's die nooit in de spotlichten komen. Hier of daar zal een kamerlid en misschien zelfs een senator zich ontpoppen tot een politiek talent. Vroeg of laat verzeilen die in de regering. Dan kunnen ze echt beginnen wegen op de vaderlandse politiek. Steven Samyn is Wetstraatredacteur.

25 april 2007

democratie en leugenachtigheid

(verschenen in De Standaard op 26 april 2007) Defaitisme 'Ook bij ons zal er voor 10 juni veel worden voorgespiegeld dat na die datum onhaalbaar zal blijken te zijn. Die wetenschap is voor velen een bron van ergernis tegenover het politieke bedrijf. Maar het is er onlosmakelijk mee verbonden. Hoe meer mensen dat inzien, hoe gezonder de democratie is', schrijft deze krant in haar commentaar (DS 25 april) Meent u nu werkelijk dat de democratie gezonder is naarmate meer mensen de leugenachtigheid van het pre-electorale partijopbod als een onlosmakelijk aspect van het politieke bedrijf aanvaarden? Moeten we het defaitisme dan maar institutionaliseren? Zouden we niet beter op zoek gaan naar een democratisch model waarin voor dit soort cynisme geen plaats is? Hier volgt meteen een eerste aanzet: geef de burgers de mogelijkheid om bij verkiezingen de door de partijen voorgestelde lijstvolgorde te doorbreken (bijvoorbeeld door de meervoudige voorkeurstem en het panacheren in te voeren). Geef hen de mogelijkheid de verkozen politici op elk moment tot de orde te roepen (bijvoorbeeld door de volksraadpleging en het bindend referendum op volksinitiatief in te voeren). Beide maatregelen zijn met democratie verbonden. Hoe meer mensen dat inzien, des te gezonder de democratie is. Geert Van Hout (Berlijn) De oorspronkelijke commentaartekst van Bart Sturtewagen (uit DS 24 april 2007): Niet reddeloos De uitslag van de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen biedt interessante aanknopingspunten voor onze eigen federale verkiezingen, over zeven weken. Het eerste en belangrijkste is dat fatalisme uit den boze is. Fatalisme over de mate waarin politiek wervend kan zijn en mensen kan aanspreken. En fatalisme over de mate waarin een deel van het electoraat reddeloos zou zijn voor de democratische politiek. De opkomst van de Fransen voor de stemronde van vorige zondag overtreft alle verwachtingen. Zonder opkomstplicht en met uitzonderlijk goed aprilweer ging toch 85 procent van hen naar het kieslokaal. Als kiezers het gevoel krijgen dat hun mening er iets toe doet én erop vertrouwen dat met hun stem iets nuttigs zal worden aangevangen, dan dagen ze op. Dat schept een grote verantwoordelijkheid voor de politici. De verwachtingen zijn huizenhoog. Daar geen afdoende antwoord op bieden, zal al het krediet weer doen smelten als sneeuw voor de zon. Het ging zondagavond in de televisiedebatten de hele tijd over changement, transformation en renouveau. Iedereen vindt dat het anders en beter moet. De uitdaging voor de politieke leiders van straks zal zijn om die vernieuwing ook gestalte te geven. Daarvoor moeten ze de tweedeling van het politieke landschap en de blokkeringen die ze meebrengt, overstijgen. Dat koploper Nicolas Sarkozy erin slaagde Jean-Marie Le Pen te reduceren tot een goede 10 procent, maakt duidelijk dat een potig discours wel degelijk in staat is om kiezers uit hun negativisme en cynisme te halen. Die taal is onwelgevallig voor de oren van fijnbesnaarde zielen, maar ze werkt. Ook wie zelf geen aanhanger van die aanpak is, moet de intellectuele eerlijkheid opbrengen om het onderscheid te maken tussen een verhaal dat op uitsluiting is gebaseerd en een pleidooi voor verantwoordelijkheid, discipline, rechten en plichten. Het ene behoort niet tot de ruimte van de democratische politiek, het andere wel, ook al hoeft niemand het ermee eens te zijn. Overigens klonk Sarkozy zondagavond behalve presidentieel plots ook heel wat verzoenender tegenover Ségolène Royal en vooral poeslief tegenover de kiezers van de centrist François Bayrou. De evenwichtsoefening waarvoor de rechtse kandidaat staat om het presidentschap te pakken, is uiterst complex. Eens te meer wordt het politieke adagium bewezen dat je om de macht te verwerven, heel andere technieken en talenten behoeft dan om ze uit te oefenen. Het loven en bieden dat een verkiezing voorafgaat, contrasteert vaak fel met het eropvolgende beleid. Ook bij ons zal er voor 10 juni veel worden voorgespiegeld dat na die datum onhaalbaar zal blijken te zijn. Die wetenschap is voor velen een bron van ergernis tegenover het politieke bedrijf. Maar het is er onlosmakelijk mee verbonden. Hoe meer mensen dat inzien, hoe gezonder de democratie is.